Uitspraak voorlopige voorziening

Schriftelijke of mondelinge uitspraak in een voorlopige voorziening

De voorzieningenrechter beslist over het verzoek om een voorlopige voorziening op basis van de stukken in het dossier en het onderzoek ter zitting. In het algemeen wordt er schriftelijk uitspraak gedaan binnen een termijn van twee weken. Evenals in een bodemprocedure heeft de rechter in een voorlopige voorziening de keuze tussen een schriftelijke of een mondelinge uitspraak.

Een mondelinge uitspraak zal meestal de voorkeur genieten uit een oogpunt van proceseconomie. Het is ook mogelijk dat de zaak zo ontzettend spoedeisend is, dat meteen mondeling uitspraak wordt gedaan waarna een schriftelijke uitspraak volgt met een motivering. De voorzieningenrechter beslist overigens ook over het griffierecht en over de proceskosten inzake de voorlopige voorziening.

(Neven)beslissingen in een voorlopige voorziening

De door de voorzieningenrechter uit te spreken beslissingen komen overeen met de beslissingen die door de rechtbank in een bodemprocedure kunnen worden uitgesproken. Het vernietigen van een besluit kan echter niet in een voorlopige voorzieningsprocedure, tenzij de voorzieningenrechter meteen uitspraak doet in de hoofdzaak. Eveneens zijn enkele nevenbeslissingen mogelijk, zoals het stellen van een termijn voor een nieuw besluit of een andere handeling, een beslissing tot vergoeding van het griffierecht en een proceskostenveroordeling.

Onbevoegdverklaring

Van een bevoegde voorzieningenrechter is sprake, als diegene bevoegd is of kan worden om in beroep over de hoofdzaak te oordelen. Van een “onbevoegd verklaring” is sprake, als een voorzieningenrechter van een ander gerecht bevoegd is om te oordelen over het verzoek om een voorlopige voorziening of als er in de hoofdzaak beroep is ingesteld tegen een niet appellabele handeling.

Niet ontvankelijkverklaring

Een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt niet ontvankelijk verklaard als de verzoeker niet gerechtigd is tot het indienen van een verzoek of als niet aan de vereisten voor indiening van een verzoek is voldaan.

Afwijzing van het verzoek

Een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen als naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de conclusie wordt getrokken, dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is en dus in stand zal blijven. Indien daarover enige twijfel bestaat, dan kan op basis van een belangenafweging een afwijzing plaatsvinden als niet is voldaan aan de eis van “onverwijlde spoed”.

Toewijzing van het verzoek

Een verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen als het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig is. Indien daarover twijfel mogelijk is, dan kan op grond van een belangenafweging het verzoek worden toegewezen als is voldaan aan de eis van “onverwijlde spoed”. De voorzieningenrechter is ook bevoegd om het verzoek gedeeltelijk toe te wijzen en dus “voor het overige”, af te wijzen. Bij een toewijzing wordt de inwerkingtreding van het bestreden besluit meestal opgeschort tot een bepaalde datum, meestal tot zes weken na uitspraak in de bezwaar, beroep of hoger beroep.

Indien een toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening een schorsing van het bestreden besluit inhoudt, dan werkt die schorsing direct nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Een schorsing heeft dus geen terugwerkende kracht. Het staat de voorzieningenrechter echter vrij om te bepalen dat de schorsing pas op een later tijdstip ingaat. Ook kunnen aan de voorlopige voorziening voorwaarden, voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Het nakomen van de voorlopige voorziening kan kracht worden bijgezet door het opleggen van een dwangsom door de voorzieningenrechter. De uitspraak is in ieder geval bindend voor beide partijen en er is geen hoger beroep tegen mogelijk.

Overige toepasselijke bepalingen inzake “uitspraak voorlopige voorziening”

Diverse bepalingen die gelden voor uitspraken in een bodemprocedure in beroep, zijn in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing in een procedure met betrekking tot een voorlopige voorziening. Te denken valt dan aan de mogelijkheid om de zitting te heropenen alsmede aan de grondslag van de uitspraak (de omvang van het geschil en de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om het bestuursorgaan te gelasten een bepaalde handeling te verrichten, zo nodig onder oplegging van een dwangsom). 

Verval voorlopige voorziening

In beginsel vervalt de voorlopige voorziening zodra de rechtbank in de bodemprocedure een uitspraak heeft gedaan, tenzij de rechtbank een latere vervaldatum vaststelt. Ook kan (bevoegd, dus niet verplicht) de voorzieningenrechter kan  in zijn uitspraak een vervaldatum vaststellen. In de praktijk vindt dit plaats bij verzoeken om een voorlopige voorziening tijdens een bezwaarschriftprocedure. Een besluit kan dan bijvoorbeeld worden geschorst tot het einde van de beroepstermijn met betrekking tot de beslissing op bezwaar. Daarnaast kan de voorzieningenrechter ook op verzoek of ambtshalve de voorlopige voorziening opheffen.

Verval voorlopige voorziening van rechtswege

De voorlopige voorziening vervalt echter van rechtswege (automatisch) bij de intrekking van het bezwaar of beroep in de hoofdzaak, tenzij tegen het besluit ook door een of meer andere belanghebbenden bezwaar of beroep is ingesteld dat niet is ingetrokken. De voorlopige voorziening vervalt eveneens van rechtswege in het geval dat de voorlopige voorziening tijdens de procedure in bezwaar of administratief beroep is getroffen en vervolgens door de verzoeker geen beroep bij de rechtbank wordt ingesteld.

Kortsluiten “voorlopige voorziening en beroep”

Als het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend terwijl er tegelijk (of al eerder) beroep is ingesteld tegen hetzelfde besluit, dan kan de voorzieningenrechter (ambtshalve of op verzoek van een partij) tegelijk uitspraak doen in het verzoek om een voorlopige voorziening en in de beroepszaak (de zogenaamde kortsluiting).

De beroepszaak en het verzoek om een voorlopige voorziening worden kortgesloten als de voorzieningenrechter na de behandeling van de zaak op de zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niets nieuws meer zal toevoegen voor de beoordeling van de zaak en daarmee dus van mening is dat nader onderzoek in de beroepszaak niet zal leiden tot een andere uitspraak. De voorzieningenrechter heeft daartoe geen toestemming van partijen nodig. Wel worden partijen in de uitnodiging voor de zitting gewezen op deze bevoegdheid.

De voorzieningenrechter mag alleen tot “kortsluiting” overgaan als in de voorlopige voorzieningsprocedure een zitting is gehouden. Als het verzoek om een voorlopige voorziening en de beroepszaak in één uitspraak worden kortgesloten, kan men wel in hoger beroep voor zover het gaat om de beslissing in de beroepszaak. Dit geldt dus niet voor de beslissing met betrekking tot de voorlopige voorziening.

Opheffing en wijziging voorlopige voorziening

Na de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kunnen de omstandigheden zodanig wijzigen, dat een opheffing of een wijziging verantwoord is. De voorzieningenrechter is bevoegd om  ambtshalve of op verzoek hiertoe over te gaan. Een verzoek tot opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening wordt behandeld volgens precies dezelfde regels als voor de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening zelf. Bevoegdheid tot opheffing of wijziging.

← De procedure in een verzoek om een voorlopige voorziening ←